The Bedfellow

(een fragment)

“Nog een petit-four?” hoort hij Vaerle van Daoís zeggen. Ze houdt de schaal voor Myrthilea’s neus. Jahoor, ze pakt er nog een. Wat is het toch een gulzig mens. Het is een wat kleiner gezelschap bij de picknick, ze zijn met zo’n tien man neergestreken, exclusief het personeel dat met de manden sjouwt. Helaas maakt Myrthilea ook deel uit van het gezelschap, het voelt wat ongemakkelijk. Ze is ook wat stiller dan vanochtend, trekt afwezige glimlachjes, onder andere naar Davyi die erg zijn best doet om wat meer respons te krijgen.

Onwillekeurig valt zijn oog telkens op haar, ze blijft zijn aandacht trekken. Zij probeert juist weer zijn blikken te ontwijken, voelt zich duidelijk erg ongemakkelijk. Begrijpelijk, zijn verloofde zit naast hem. Fiorlíaine converseert ook nog eens uiterst saai over de bloemen in haar tuin. Is ze eigenlijk altijd al zo saai geweest?
“Nou, Fiorlíaine, nu heb je alle bloemen volgens mij wel gehad. Probeer ook eens zo’n petit dinges.” Hij biedt haar de schaal aan.
Ze schudt afkerig haar hoofd. Natuurlijk is ze hierin beheerst, neemt absoluut niet meer dan goed is voor het lichaam. En suiker is een doodzonde, daarom drinkt ze haar thee ook zonder. Bij de vraag of ze het wel lekker vindt, geeft ze een vreemde blik. Alsof dat er in het geheel niet toe doet. Met een zucht zet hij de schaal weer neer.
“Maar nou zou ik ook nog eens graag een pruimenboom in de tuin willen hebben, maar ik heb geen idee hoe dat..”
“Het is ook de tijd van het jaar voor pruimen! Die vind ik altijd erg lekker.. Volgens mij staat hier ook nog een pruimengebakje,” interrumpeert hij haar. Ze moet echt eens ophouden, nog even en hij valt ter plekke in slaap!
Haar nijdige blik doet hem wat vrolijk opschrikken. Hij probeert een glimlach te verbijten, maar het is lastig. Onwillekeurig kijkt hij weer even naar Myrthilea en vangt haar blik op. Snel kijkt ze weer van hem weg.
“Ik wil eigenlijk wel weer terug naar de villa, ik heb het een beetje koud.” Fiorlíaine kruist demonstratief haar armen om haar bovenlijf. Ze heeft het koud? Het is helemaal niet koud. Is ze gepikeerd omdat hij haar eindeloze opsommingen onderbrak of is het haar opgevallen hoeveel hij naar Myrthilea keek?
“Gabriel, ga je mee?”
Hij fronst geïrriteerd, hij heeft echt nog geen zin om te gaan. Ze zitten ook nog niet eens zo lang. Waarom gaat ze niet in haar eentje terug, met een bediende of zo?
Lady Ginilla, een van de vriendinnen van de tante van Myrthilea, merkt zijn tegenzin om nu al te vertrekken kennelijk op. “Lady Eldeíll, ik zou met genoegen u escorteren naar de villa. Dan kan uw verloofde nog wat langer blijven en dan hoor ik nog graag welke bloemen u precies voor uw tuin hebt uitgezocht.”
“Ik ga mee, ter bescherming,” zegt Davyi dan ineens. “Het is niet veilig voor twee dames alleen.”

Voor hij het weet zijn ze vertrokken en is hij in een wat aangenamere setting beland. De opluchting zindert door zijn lijf. Zelfs die vervelende Davyi is opgerot. Myrthilea kijkt ook gelijk heel anders uit haar ogen, die is duidelijk ook opgelucht. Ze slaakt een tevreden zucht en gritst dan nog een petit-four van de schaal. Gulzigaard. Hij bijt op zijn lip, eigenlijk niks mis met gulzigheid.
“Vind je ze lekker of zo?” vraagt Gabriel haar, merkt dat zijn stem wel erg laag is. Het klinkt een tikje wellustig, hopelijk hoort het gezelschap dat niet. Ze kijkt op en hij glimlacht geamuseerd.
Ze glimlacht terug. “Ik ben dol op zoetigheden. Als ik iets lekker vind, kan ik er erg moeilijk van afblijven.”
“Dat is ook wel erg lastig,” reageert hij. “Om er van af te blijven.” Een heerlijk dubbelzinnig antwoord op een dubbelzinnig klinkende opmerking.
“Elke petit-four is weer zo lekker,” stuurt ze de conversatie naar het originele onderwerp terug.
“Zeer verleidelijk,” beaamt hij. “Ik denk dat ik ook maar weer overstag ga.” Hij gritst een petit-four van de schaal en snoept het dingetje gulzig op. De suiker tintelt op zijn tong, de boter doet het zalige hapje makkelijk wegslikken.
Vaerle van Daoís kijkt hem bevreemd aan. “Gabriel, ik heb je geloof ik nog nooit zo.. verlustigd zien eten.”
Hij trekt onaangedaan zijn wenkbrauwen op. “Misschien hangt er iets in de lucht.” Hij besluit er nog een te nemen. Zijn hand gaat weer richting de schaal en hij smikkelt er nog een op. Likt uitgebreid zijn plakkerige vingers af, voelt hoe Myrthilea hem een tikje wellustig aanstaart. Een heerlijk gevoel.
“Of de gulzigheid van Myrthilea is besmettelijk,” voegt hij er op luchtige toon aan toe.
“Nouja!” zegt ze verontwaardigd.
Hij grijnst van plezier. God, wat voelt hij zich ineens geweldig. Ontspannen, tevreden, opgewonden op een fijne manier. Vrolijk. Hij hoort haar ook in de lach schieten.
“Gabriel!” zegt haar tante vermanend, lijkt zowel licht geshockeerd als geamuseerd.
“Vearle!” reageert hij op precies dezelfde toon naar haar. Beduusd schiet ze in de lach.
Gabriel trekt een lome, geamuseerde glimlach. Kijkt dan naar die leuke vrouw met wie hij per ongeluk heeft gevreeën. “Nog wat champagne?” biedt hij haar aan.

“Zal ik dat nou wel doen?” vraagt ze. Zonder verder af te wachten, pakt hij de fles en schenkt haar glas vol. Vult eveneens het glas van haar tante, Naullínn, hun gastheer Neóc van Ioss en het wat oudere echtpaar Sínn en Aerdall van Messín. Deze zaten niet te piepen dat ze het koud hadden en lijken erg te genieten van de picknick. Hij heeft ze even gesproken tijdens het borreluur voor aanvang van het eerste diner. Sínn had hem waarschijnlijk bijna een schop verkocht omdat hij zo ongeïnteresseerd was en telkens wegkeek. Op het eind van het borreluur kwam er tot zijn verrassing een werkelijk goed gesprek, de man bleek humor te hebben. Aerdall leek hem een wat strenge vrouw, hij heeft niet echt met haar gepraat.
Hij doet net alsof hij niet merkt dat Sínn en Aerdall een scherpe, geamuseerde blik op hem werpen. Ze zullen zich inderdaad wel afvragen wat hem ineens bezielt. Hij weet dat dat Myrthilea is, o god, die vrouw… Maar het zal hem een zorg zijn wat het gezelschap over hem denkt.
“Hoe heb je eigenlijk je verloofde leren kennen, Gabriel?” vraagt Sínn.
Hè bah, moeten ze het nu echt over zijn verloofde hebben? Ze is net weg, de lucht is opgeklaard. Hij heeft echt helemaal geen zin om het over haar te hebben. Hij slaakt ook een onwillige zucht. “Op een of ander saai feest. Ze was de dochter van een van mijn zakenpartners.” Zo. Klaar. Volgend onderwerp.
“Komt ze uit het Zuiden, omdat ze het zo snel al koud had?”
Hij knikt. “Maar dan nog. Het is nu helemaal niet koud.”
“Ik ben blij dat die hitte weer voorbij is, deze temperatuur is veel beter uit te houden,” voegt Myrthilea toe. Kennelijk hoeft zij het ook niet over zijn verloofde te hebben. Ze krijgt gelijk een priemende blik van Aerdall toegeworpen.
“Voel je je weer wat beter, Myrthilea? Je was zonet zo.. stil.”
“Misschien is het de suiker die me weer wat energie geeft,” smoest ze, met een idioot gezicht. Aerdall snapt waarschijnlijk niet helemaal hoe de vork in de steel zit, maar heeft wel iets door. Neóc knikt afwezig, alsof het hem werkelijk niet interesseert waarom Myrthilea zonet stil was en nu niet. Gabriel ziet tot zijn plezier haar gefascineerd naar de donkere en enorm borstelige wenkbrauwen van Neóc kijken. Het is echt een afdakje, de regen zal niet zo snel in zijn ogen druppen.
“Ik heb niet zoveel gegeten bij het ontbijt,” voegt ze er nog aan toe.
Hij schiet in de lach en verslikt zich daardoor half in zijn champagne. Hij proest per ongeluk de slok uit. Hij heeft gezien hoeveel ze zat te eten, dat was niet weinig. De vrouw heeft een flinke eetlust. Maar goed, ze zocht een excuus. Beter zoiets zeggen dan dat ze de groep vertelt wat er werkelijk aan de hand was.
“Pardon,” mompelt hij, zonder verdere uitleg. Gaat er maar eens bij liggen, met zijn hoofd leunend op zijn opgerolde jasje. Strekt zijn arm uit om een aardbei te pakken. Wat is het lang geleden dat hij zich zo.. goedgeluimd voelde.
Ze keuvelen wat door, niet meer over zijn verloofde. Op een gegeven moment gaat het gesprek over een vervallen kerkje, die verderop bij het beekje staat. Hoewel het niet meer wordt gebruikt en ook niet meer wordt onderhouden, schijnt het allerschattigst te zijn.
“Ik wil wel even kijken,” zegt Myrthilea. “Wil er nog iemand mee?”
Natuurlijk wil hij mee! Al wilde ze zelfs een stal vol met koeien gaan bekijken, als het maar met haar is. “Ik wil het ook weleens zien. Jullie kennen het kennelijk allemaal wel?”
De anderen knikken. Gelukkig. Kan hij fijn met haar alleen op pad. Sínn trekt wel een vreemde glimlach, die man heeft waarschijnlijk wel wat door.
“Kom Myre, dan gaan wij even met z’n tweeën kijken.” Waarom kijkt ze hem nou zo vreemd aan?
“Je durft me al Myre te noemen?” grapt ze dan. “Zo zeg.”
Hij realiseert zich nu pas dat haar Myre noemen nogal intiem over kan komen en dus impliceert dat ze elkaar beter kennen. Hoeveel beter moeten ze echt niet weten! Hij grijnst maar even een beetje schaapachtig. Hij wil haar ook dolgraag beter leren kennen, in de breedste zin van het woord. Het feit dat hij verloofd is zeurt even door zijn hoofd, maar hij drukt de gedachte snel naar de achtergrond.
Naullínn kijkt erg blij rond, ze voelt misschien dat er iets gaande is tussen Myrthilea en hem. “Ga maar, wij oudjes blijven hier,” zegt ze nog, waardoor de rest van het gezelschap gelijk gaat sputteren dat ze nog helemaal niet oud zijn en dat ze enkel voor zichzelf moet spreken als ze iemand oud wil noemen.
Dus loopt hij met Myrthilea naar het kerkje. Het is wat onwerkelijk, het groepje is al uit het zicht en de omgeving wordt steeds mooier en mysterieuzer. Myrthilea ontdekt een pad, bedekt door mos, en daardoor bijna onzichtbaar . Hij hoort vlakbij gekabbel van water, het beekje is in de buurt. Het kerkje zal ook niet ver meer zijn. Ze zwijgen al de hele tijd, maar het voelt niet vervelend. Op de een of andere manier is het niet nodig om iets te zeggen.

Het kerkje doemt dan uiteindelijk voor hun neus op. Het is vooral erg begroeid, de deur ontbreekt en er zit een gat in het kleine torentje. Enthousiast loopt Myrthilea het kerkje in, hij volgt haar gewillig. Ze is zo mooi en haar enthousiasme maakt haar werkelijk onweerstaanbaar.
“Dit is werkelijk prachtig!” roept ze enthousiast uit.
“Jij bent prachtig,” bast hij en pakt haar bezitterig van achteren beet.
“Gabriel..” protesteert ze halfslachtig, nestelt zich tegen hem aan.
“Het gekke is.. dat ik me geen moment heb verveeld in je gezelschap. Zelfs niet toen we net zwijgend hiernaartoe liepen.”
“Ben je zo snel verveeld?” zegt ze, een beetje hijgerig. Misschien omdat zijn handen over haar billen glijden.
“Ik weet het niet. Geloof van wel, ja.”
“Of je hebt vaak saai gezelschap,” oppert ze droogjes.
Zijn mond valt open van vrolijke verontwaardiging. “Jij durft! Mijn verloofde saai noemen?”
“Waarom hou je mij anders vast?” kaatst ze terug. Ai, dat steekt. Zijn geweten speelt op en hij laat haar meteen los. Als hij niet langs was gekomen die nacht, was ze waarschijnlijk iets met Davyi begonnen, ondanks het wakend oog van zijn moeder. […]

Advertenties
Dit bericht werd geplaatst in Diversch. Bookmark de permalink .

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s